PHILIPPE BOUTTENS &
PIET MOERMAN

11 september tot en met 3 oktober 2021

1930

Jeugd 1939-1945

Jeugd 1939-1945
José Vermeersch aan het werk aan de Ijzer.

Uit de vroegste periode bleef relatief weinig werk bewaard. José Vermeersch tast alle terreinen van de schilderkunst af en experimenteert autodidact met beeldhouwkunst. In het vroege werk treffen we evengoed landschappen en stadsgezichten, als portretten, composities en stillevens aan.

Vaak schildert José Vermeersch in open lucht. Hij volgt les in de Koninklijke Academie Voor Schone Kunsten in Antwerpen bij Walter Vaes en Constant Permeke. In 1941 komt José Vermeersch voor het eerst met zijn werk naar buiten. Zijn ambitie groeit, zo is er het werk ' Het avondgebed ' die hij in 1941 schildert en als een sleutelwerk beschouwd.

Als thema voor zijn composities gaat hij uit van de waarneming uit het leven van alledag. Maar zijn onderwerpen evolueren en krijgen een psychologische ondertoon. Nog voor de Tweede Wereldoorlog neemt José Vermeersch afstand van het realisme en vooral van de romantische thematiek. Na de oorlog breekt er een nieuwe tijd aan die vraagt om nieuwe kunst. Over zijn jeugdwerk is José Vermeersch zelf verontschuldigend. Hij schrijft : ' In de jeugdperiode wordt alleen de waarde van het talent ontwikkeld en gedemonstreerd.' 

Toch springen al enkele kenmerken in het oog, die in het latere oeuvre van belang zullen blijven. Zo kunnen we vaststellen dat zijn belangstelling hoofdzakelijk uitgaat naar de menselijke figuur. Hij ziet het realistische detail niet over het hoofd. Het zijn verworvenheden die misschien nog niet duidelijk tussen andere tijdelijke kenmerken te onderscheiden zijn, maar die hij zijn loopbaan lang niet zal afzweren.

1940

De nieuwe tijd 1945 - 1958

De nieuwe tijd 1945 - 1958
Schapen langs rode muur, 1958, Olieverf op doek, 66x56 cm

De oorlog is voorbij. De sfeer is tweeslachtig. Enerzijds de opluchting het overleefd te hebben en de vreugde om de herwonnen vrijheid, anderzijds de angst voor een allesverwoestende kernoorlog tussen de vroegere bondgenoten.

In dat tijdsklimaat kan José Vermeersch, als jong kunstenaar, zich onmogelijk verzoenen met het verder borduren op genres en technieken uit het verleden. Zijn gehele houding als kunstenaar ondergaat een ommezwaai. Het schilderij L'Avion (1946) is een sprekend voorbeeld van de nieuwe oriëntering die hij aan zijn werk geeft. Het werk roept het gevaar op waarmee de mensen die net een oorlog overleefd hebben maar al te vertrouwd zijn. L'Avion past volledig in het naoorlogse tijdsbeeld. Het is een voorbeeld van magisch realisme, een stroming die geëvolueerd is uit de nieuwe zakelijkheid, de pittura metafysica en het surrealisme.

De vormgeving en de expressiviteit vereenvoudigd. Zo is er het werk De betonweg (jaren 50) waarbij het symetrisch karakter en de monochrome kleuren strak in het oog springen. Het kadert ook in zijn bekommernis om het samengaan van architectuur en schilderkunst. Een integratie van de schilderkunst in de architectuur. De belangstelling voor architectuur zal hij op uitéénlopende manieren in zijn werk belichten. Zo experimenteert hij oa. met het muralisme in navolging van Diego Rivera en ontwerpt hij ook zelf huizen en open haarden.

We mogen stellen dat op het eind van de jaren vijftig José Vermeersch een onbevredigd kunstenaar is. Bij hem leeft nochtans het besef dat  hij nog niet alle creatieve mogelijkheden heeft uitgeput. Van het tentoonstellen van werk dat nog niet voldragen is, kan er voorlopig geen sprake zijn. Door zijn grote nieuwsgierigheid op technisch en thematisch vlak proeft Vermeersch van een aantal vormelijke formules die hem later, als keramist, erg goed van pas zullen komen. José Vermeersch zal er naar streven het schilderachtige, het detaillistische overboord te gooien. Hij experimenteert met het vereenvoudigd weergeven van de menslijke figuur, zonder verlies aan expressiviteit.

1950

Opbouwen 1958 - 1966

Opbouwen 1958 - 1966
Straat met fietser, 1965, Olieverf op paneel, 50x40cm

Wanneer de jaren 60 aanbreken is José Vermeersch al 20 jaar actief als kunstenaar actief. De traditionele technieken als olieverf op doek stelt hij meer er meer in vraag en hij experimenteert met afdruktechnieken, keramiek en beeldhouwkunst. De nieuwe werkwijze brengt als vanzelf een vormlijke ommezwaai mee. José Vermeersch stelt in 1959 een reeks keramiekpanelen bestaande uit beschilderde tegels tentoon. Die werken verschillen fundamenteel van de van oudsher bestaande tegeltableaus, opgebouwd uit vierkante tegeltjes samengevoegd tot één grote compositie. Bij Vermeersch nemen de tegels de vorm aan van het uitgebeelde onderwerp. Hij beschouwt het werk als een volwaardig werk, geen integratie dus. Het is een belangrijke stap van de schilderijen naar het latere keramische werk. Vermeersch is naast zijn kunstenaarsschap in die periode ook tegelproducent, binnenhuisarchitect, leraar, architect, ontwerper en bouwer van open haarden. Hij is een fervent verdediger van de integratie van al de verschillende disciplines binnen zijn persoonlijk werk. Het kadert in de droom van de kunstenaar om alle artistieke uitingen tot één totaalkunst samen te voegen. Bij hem komt het er niet enkel op aan de architectuur de eer te bewijzen die haar als 'de Moeder van alle Kunsten' toekomt, maar ook te komen tot de harmonisatie tussen zijn activiteiten om den brode en zijn artistieke ambities.

In deze jaren ontstaat ook zijn hernieuwde belangstelling voor de beeldhouwkunst. Hij werkt vaak in hout en klei en hij leent zich ook tot het uitbeelden van thema's met universele draagkracht als moeder en kind, de kus, de hond, het paard en de koe. De beelden zijn zeer compact gemodelleerd en hij legt de nadruk op het zuiver lijnenspel en de oogstrelende rondingen van de vormen.

Toch blijft zijn streven dat van een kunstschilder. Beeldhouwen en keramiek interesseren hem voorlopig als experiment. Wel ontdekt hij hier de rijkdom van het medium. Klei zal hem nooit meer loslaten.

1960

Bevrijding 1966-1969

Bevrijding 1966-1969
Figuur met doos, 1968, Olieverf op paneel, 70x60 cm

Dit zijn voor José Vermeersch de belangrijkste jaren van zijn leven. Stapsgewijs evolueert zijn schilderkunst naar een vrijgevochten stijl. Niet enkel de techniek vertoont een ongekende vlotheid, ook uit de thematiek blijkt een nieuw en blakend zelfvertrouwen.

De thematiek wordt het uitbeelden van de mens in zijn meest naakte eigenheid. Vermeersch schildert vlug, als in een roes, en op groot formaat. In die talrijke schilderijen beeldt hij telkens opnieuw gestalten met een nieuwe présence uit.

Het is een nieuwe mens, fundamenteel verschillend van die waarvan hij bij het begin van zijn loopbaan gestalte wou geven. Deze is niet langer gebonden aan regels en verordeningen. Hij staat los van zijn omgeving; zelfs met de achtergrond van het schilderij heeft hij niet de minste binding. Zijn schaduw maakt plaats voor een halo, het licht dat hij zelf uitstraalt. De volgende stap is radicaal en ligt in het verschiet. Het personage moet de band met het doek afwerpen. Terwijl Vermeersch in ijltempo het nieuwe gegeven doek na doek uitbeeldt, is een volgende creatieve bron al aangeboord. In 1968 boetseert hij zijn eerste beelden. Het zijn personages die letterlijk uit de schilderijen gegroeid zijn. De lange zoektocht is voorbij. Een nieuwe wereld bloeit open.

1970

Doorbraak 1969 - 1979

Doorbraak 1969 - 1979
Barende vrouw, 1969, Brons, 80 x 70 x 77cm

In 1969 treedt José Vermeersch met zijn nieuw werk naar buiten. In zijn schilderijen heeft hij eindelijk de juiste toon gevonden om figuratief te werken zonder in anekdote te vervallen. De beelden die hij oproept hebben een dusdanige zeggingskracht dat zij er om vragen driedimensionaal te worden uitgewerkt. In het begin van de jaren 60 had hij die stap al gewaagd, maar zijn techniek was toen nog niet uitgebreid genoeg. José Vermeersch gaat nu de experimentele toer op. Hij bouwt het beeld op uit kleiplaten die hij gemengd en gekneed heeft. Hij begint bij de voeten, dan de benen en zo bouwt hij verder. Opzettelijk laat Vermeersch de sporen van het bouwproces zichtbaar. Ofwel brengt hij doelbewust openingen aan. Zo laat hij duidelijk aanvoelen dat het beeld hol is.Zo wordt een indruk van lichtheid, van broosheid gewekt. De keramiek is een huid, luchtdoorlatend en kwetsbaar. Zijn lange vertrouwdheid met het materiaal komt hem nu goed van pas. Hij cencentreert alle ernergie op de inhoud. De werken zijn opvallend gevarieerd. Vermeersch is op zoek naar types met dezelfde zeggingskracht als de onbestemde figuren uit zijn schilderijen. Zijn figuren lijken zonder leeftijd wier bewegingen nog minder betekenis dragen dan die van kinderen. De uitwerking op het publiek is identiek. de Toeschouwer kijkt zonder  vragen naar figuren zonder geschiedenis die hem tegelijkertijd bevreemdend en vertrouwd overkomen. Minstens even vaak heeft hij de beweging onbestemd gelaten, enkel de aanzet ervan weergegeven of ze helemaal geweerd. Staande figuren zonder hoofd en zonder armen boeten hierdoor niets in aan zeggingskracht. Soms worden de beelden met vleeskleurige tinten beschilderd. Als bij Knielende man (1970), het is een versmelting van schilderij en sculptuur.

Naast de mens verschijnt nu ook de hond. Hij is van een dogachtig type, uit enkele verbasterde kruisingen ontstaan en daardoor juist robuust en zonder complexen. De Vermeersch hond heeft doorgaans een ballonachtig lijf, een struise nek die in een afgeplatte kop overgaat. Hij staat rotsvast op zijn vier lange poten. In zithouding heeft hij iets gemoedelijks. Hij is de trouwe kompaan van de mens. Het werk De kennel (1973-1974) die zich in de collectie van Mu-Zee in Oostende bevind is een mooi voorbeeld van een beeldengroep met mensen en honden. Het is een indrukwekkend werk, niet in het minst omdat er tussen de personages niet de minste interactie bestaat. Toch hoort de hond bij de mens. Toch is de mens een groepswezen.

Dankzij de fundamentele vernieuwing in zijn schilderkunst heeft José Vermeersch zijn roeping als beeldhouwer / keramist kunnen waarmaken. Het ligt nu in zijn bedoeling om de nieuwe inspiratie gelijktijdig in schilderijen en beelden uit te drukken. Toch wordt hij vanaf 1970 door onvermoede en boeiende ontwikkelingen in zijn keramiekkunst in beslag genomen.Vermeersch komt nu ook in een spriraal van tentoonstellingen terecht die hem van Venetie tot in Mexico gaan brengen. Zijn werk verrast en slaat aan omdat het een totaal nieuwe benadering ven de keramiek inhoudt. Toch denkt Vermeersch zijn werken niet enkel in keramiek maar maakt hij ze meer en meer met als definitieve uitvoering brons.

1979

Veldoven 1979

Veldoven 1979
Schets José Vermeersch veldoven 1979 Reninge

1979: Reninge Herfst 79

‘ Maanden heb ik met de gedachte rondgelopen een keramiekoven te maken in het open veld, een veldoven gebouwd op de meest éénvoudige, om niet te zeggen, primitieve manier. Ik heb die oven getekend, met het roggeveld achter het hoeveke te Reninge, als decor, nog voor ik besefte dat een uitvoering mogelijk was.

In de loop van 1979 heb ik de gedachte uitgewerkt.Geholpen door mijn 10 jaar ervaring wou ik bewijzen dat het nog altijd technisch mogelijk was om op de meest eenvoudige manier, in open lucht, gelijk het een ambachtsman betaamt, keramiek-beelden te bakken.’

José Vermeersch

(Stuk uit tekst van boek ‘Herfst 79’ uitgebracht door Lannoo ter ere van de veldoven 79 te Reninge.)

Bibliografie: ‘Herfst 79’, De veldoven van José Vermeersch, Lannoo, ISBN 9020908502

 

 

1980

Roem 1980-1990

Roem 1980-1990
Staande vrouw, 1983, Keramiek met witte engobe, 137x31x27 cm

José Vermeersch heeft erkenning gekregen voor het werk dat volledig zijn stempel draagt en bij het publiek aanslaat. Maar wat kan hij op creatief vlak nog bereiken? Hij heeft het gevoel dat hij als kunstenaar alle mogelijkheden van de keramieksculptuur heeft afgetast. Hij vreest op een punt aanbeland te zijn waarop hij zich enkel nog kan herhalen. Om uit de impasse te geraken moet hij zijn werk in andere richtingen stuwen, of er tenminste een nieuwe dimensie aan toevoegen.

In zijn beelden komt het thema 'Het gesprek' meer en meer aan bod. De spreker is meestal herkenbaar aan een discreet handgebaar of een lichte wending van het hoofd. De andere of de anderen luisteren aandachtig in stilte. De honden staan er vaak bij, eenvoudig genietend van de nabijheid van de mens. Sommige figuren zijn naakt. Maar meestal dragen ze iets dat aan badkledij herinnert: een badjas, een handdoek over de schouders of om het middel. Kledij is het niet echt te noemen, het zijn eerder attributen die naar de locatie van het incident verwijzen.Door hun weinig expliciete aard zijn ze medebepalend voor de sfeer van de beelden. Het gesprek is een belangrijk etappe in het werk van José Vermeersch. Aan de beelden heeft hij een nieuwe dimensie toegevoegd. Tussen hen is een communicatie ontstaan. Hun nabijheid is verbondenheid geworden, soms door een gebaar beklemtoond. De toeschouwer is hierbij een buitenstaander. Hij is de niet-participerende waarnemer van het gersprek. 

Daarnaast evolueert de hond naar een eigen status. Zolang hij in de aanwezigheid van de mens vertoeft, speelt hij gedwee de rol van het gedomesticeerd dier. Maar alleen meet hij  zich meer en meer nonchalante of vrijgevochten houdingen aan. Niet zelden spiegelt hij zich aan de mens. De aanwezigheid van een kind op zijn rug wordt niet als belastend ervaren.

De thematische uitdieping wordt door een vloed aan tekeningen ondersteund. Gevangen door zijn beelden heeft hij al te lang het plezier van het tekenen verwaarloosd. Zijn voornemen om zijn thema's gelijktijdig in beelden en schilderijen uit te drukken houdt geen stand meer. Toch schildert hij in 1972 een sterke reeks honden in een uitgezuiverde realistische stijl.

1986

Veldoven 1986

Veldoven 1986
Zicht op veldoven 1986 Lendelede

1985: Lendelede Veldoven

In ’85 herneemt José Vermeersch het experiment met de veldoven. Ditmaal in de eigen tuin te Lendelede. Het exemplaar is aanzienlijk groter. Met de hulp van zoon Rik Vermeersch bouwt en vult hij de oven met 35 grote beelden. De beelden vormen de basis voor de tentoonstelling in het ‘Stanford University Museum’  te San Fransisco.

De toenmalige BRT maakte  er voor het programma ‘ Terloops’ een reportage over. Deze is van de hand van Wilfried Bertels. Door de reportage werd het evenement bekend bij een breed publiek.

Biografie/film: ‘De Ovengod’, Terloops, BRT, Wilfriend Bertels.

 

 

1990

Indian Summer 1990-1997

Indian Summer 1990-1997
Atelierfoto foto: Wim Dierick

Tijdens de aardbeving te San Fransisco in de herfst van 1989 wordt het museum van de Stanford University niet gespaard. Van de zowat honderd keramieken beelden van José Vermeersch die er opgesteld staan, worden er heel wat vernield. Vermeersch is geschokt. Toch werkt hij vastberanden verder. Het nieuwe werk staat in het teken van de continuïteit, gekoppeld aan het niet aflatend zoeken naar nieuwe vormen en naar een betere beheersing van nieuwe technieken.

Het schilderen dat hij een tijdlang verwaarloosd had, herontdenkt hij met geestdrift. Hij schildert een reeks honden waarin hij elk dier door de houding en door de blik raak typeert. Zijn belangstelling voor het portret ligt in dezelfde lijn. Hij zet een hele reeks vereenvoudigde portretten neer, enkel de buste, frontaal en met minder minimale achtergrond. Deze portretten doen denken aan de Fajoemportretten die tussen 100 nC en 300 nC van de Egyptische oudheid werden gemaakt.

In 1996 schildert hij ook een reeks marines. De bruuske speling van het Noordzeelicht fascineert hem. Deze schilderijen behoren ongetwijfeld tot het beste wat hij ooit geschilderd heeft. In de laatste jaren van zijn leven ontdekt hij zo het plezier van het schilderen terug en zet hij zijn keramisch werk op een heel speelse manier verder.